Joost Gerritsen
RSS Feed

<<< Terug naar weblogs van Joost Gerritsen Print

Dwangsommen en proceskosten in de Plesner-zaak 31-08-2011 17:38

audrabag-plesner.jpgOver de kunstenares Nadia Plesner heeft de (inter)nationale pers het nodige geschreven. Plesner won eerder dit jaar een juridische procedure tegen Louis Vuitton. De aandacht van de pers is niet verwonderlijk, want de twee botsende grondrechten in de zaak spreken tot de verbeelding: de vrijheid van meningsuiting van Plesner versus de bescherming van het (intellectuele) eigendom van Louis Vuitton.

Dit blogitem gaat echter niet over deze clash of fundamental rights, maar over een ander niet geheel onbelangrijk onderwerp voor strijdende procespartijen. Ik doel hier op geld. Ik beantwoord de vragen: wie moet wat betalen, en waarom?

Het ex parte verbod

In deze zaak was Louis Vuitton het oneens dat kunstenares Nadia Plesner Plesner t-shirts en posters verkocht met een afbeelding van een uitgehongerd kind uit Darfur. Het kind draagt namelijk een tas die zeer sterk lijkt op de ‘Audra Bag’ van Louis Vuitton (zie afbeelding). Op de tas claimt Vuitton meerdere intellectuele eigendomsrechten (IE-rechten) te hebben en volgens Vuitton is het gebruik van Plesener van de afbeelding een inbreuk op deze rechten.

Al vanaf 2008 probeert Vuitton op te treden tegen de posters en kleding van Plesner door haar via juridische weg te bewegen te stoppen met het gebruik van de afbeelding van het kind met de tas. Eerst bij de rechter in Frankrijk, die in maart 2008 Plesner het gebruik van de tas in haar kunstuitingen verbood. Daarna bij de Nederlandse rechter, toen bleek dat Plesner vanuit Nederland verder ging met haar kunstactiviteiten. Zo nam ze de afbeelding op in een schilderij en stelde dit in Denemarken tentoon. Ook hervatte Plesner de verkoop van t-shirts en posters.

Louis Vuitton startte daarop in januari 2011 bij de Voorzieningenrechter te Den Haag een zogeheten “ex parte procedure”. Dit is een procedure voor spoedeisende zaken, waarbij de voorzieningenrechter onmiddellijk een bevel kan uitvaardigen om een situatie te doen staken die (potentieel) inbreuk maakt op iemands IE-rechten, in dit geval die van Vuitton. Het bijzondere van een ex parte procedure is dat de vermeende inbreukmaker (hier: Plesner) niet door de rechter wordt gehoord, dat gebeurt later bij de procedure omtrent de opheffing van een toegekend ex parte verzoek (waarover verderop in dit blogitem meer). Ze kan dus niet meteen haar visie op de zaak geven. Dit soort procedures zijn met name bedoeld voor gevallen waarin er onherstelbare schade zou optreden voor de rechthebbende van het IE-recht als er niet meteen een verbod zou komen (hier: Louis Vuitton).

Omdat de van origine Deense Plesner in Nederland woont, kan de Voorzieningenrechter in Den Haag over dit ex parte verzoek oordelen. De rechter oordeelde dat de door Plesner gebruikte tas in haar afbeeldingen in hoge mate overeenstemt met de Audra Bag van Louis Vuitton. Louis Vuittion heeft hiermee voldoende aannemelijk gemaakt dat Plesner inbreuk zou maken op haar IE-rechten – meer in het bijzonder: haar Gemeenschapsmodelrecht. Op 27 januari 2011 beval de Voorzieningenrechter daarom dat Plesner moet stoppen met het gebruik van de afbeelding in o.a. het schilderij en bij de verkoop van de t-shirts en posters.

Aan dit verbod koppelt de rechter een dwangsom van EUR 5.000,-. Dit betekent dat als Plesner het verbod overtreedt, zij EUR 5.000,- per dag dat de overtreding voortduurt dient te betalen aan Louis Vuitton. Louis Vuitton mag er in dit geval ook voor kiezen Plesner EUR 1.000,- per ‘betrokken product’ (bijv. een t-shirt) te laten betalen. Kortom, als Plesner in strijd met het verbod verder zou gaan met de verkoop, dan zou dit haar – letterlijk – duur komen te staan.

De opheffing van het ex parte verbod

Plesner, oneens met de uitspraak, verzocht de Voorzieningenrechter te Den Haag het ex parte verbod op te heffen, althans te vernietigen. Bij dit verzoek neemt de rechter voor het eerst kennis van de inhoudelijke juridische argumenten van Plesner. De rechtbank komt nu tot een heel andere conclusie en oordeelt dat het gebruik van de afbeelding door de kunstenares niet onrechtmatig is.

Als gevolg van dit oordeel vernietigde de Voorzieningenrechter op 4 mei 2011 het ex parte verbod. De rechter merkte hierbij op dat deze vernietiging terugwerkende kracht heeft. Dit betekent dat de rechter de situatie creëert als ware het verbodsbevel van zijn collega op 27 januari 2011 nooit gegeven. Dit is belangrijk te realiseren én om als procespartij de rechter hierop te wijzen. Immers, bij een opheffing van het ex parte verbod zónder terugwerkende kracht zou er een situatie zijn ontstaan waarin vanaf 28 januari 2010 de dwangsommen van EUR 5.000,- verschuldigd blijven en kunnen worden geïnd. Dit is een onwenselijke situatie als daarvoor bij het opheffingsverzoek al bleek dat het ex parte verbod onterecht is gegeven, bijvoorbeeld omdat er geen sprake is van inbreuk op IE-rechten.

Dit behelst mijns inziens een terechte beslissing van de rechter, die mogelijk op het eerste gezicht weinig verrassend lijkt. Toch is deze beredenering opvallend als men beseft dat de rechtbank Den Haag in de ‘Kruidvat tegen Adventure Bags’-zaak uit 2009 nog oordeelde dat geïnde dwangsommen in beginsel verschuldigd blijven, ook als de tenuitvoerlegging van het ex parte verbod onterecht was geweest.

Auteurs Visser & Van den Berg signaleerden eerder dat rechtbanken verschillend denken over het antwoord op de vraag of van een herzien of vernietigd ex parte verbod terugwerkende kracht uitgaat. De rechter in de Plesner-zaak beantwoordt deze vraag in ieder geval positief. Hieruit volgt dat de redenering uit de Kruidvat-zaak niet altijd behoeft te gelden. Dat is goed nieuws voor partijen als Plesner die later gelijk worden gesteld in de procedure tot opheffing van het ex parte verbod. Eventuele dwangsommen zijn dan niet ‘verbeurd’, zoals dat dan heet.

Proceskosten

Omdat dit blogitem de financiële aspecten van de zaak bespreekt, sta ik ook stil bij de proceskosten van het geding.

Nadia Plesner vorderde bij de opheffingsprocedure van Louis Vuitton vergoeding van haar volledige proceskosten in het geval zij de zaak zou winnen. Nu de rechter haar vordering heeft toegewezen, presenteert zij Louis Vuitton met haar rekening van EUR 78.271,-. Dit bedrag omvat onder meer ongeveer EUR 8.000,- aan kosten die zijn gemaakt bij een gevoerde succesvolle wrakingsprocedure (dit succes is opvallend: in de regel is wraken meestal weinig succesvol. Zo werden in 2009 slechts 5% van de wrakingsverzoeken gehonoreerd).

Louis Vuitton vindt deze rekening buitenproportioneel hoog. De zogeheten “IE Indicatietarieven” (PDF), een tarievenmodel dat rechters een handvat biedt over wat redelijke bedragen aan proceskosten zijn, gaan namelijk uit van EUR 15.000,- voor een rechtszaak als deze. Daarbij zouden de kosten van de wrakingsprocedure buiten beschouwing moeten worden gelaten, omdat die niet zozeer te maken heeft op IE-rechten én – als dat wel zo zou zijn – Louis Vuitton niets met die wrakingsprocedure van doen heeft. Een dergelijke procedure betreft namelijk de verhouding tussen Plesner en de (gewraakte) rechter

De rechter volgt deze beredenering van Vuitton en voegt daaraan toe dat Plesner geen bijzondere omstandigheden heeft gesteld waarom haar kosten zo hoog zouden moeten uitvallen. De rechtbank houdt daarom de IE Indicatietarieven aan en begroot op basis hiervan de te vergoeden kosten op EUR 15.334,31, waaronder EUR 15.000,- aan advocaatkosten. Dit is minder dan een vijfde van het te vergoeden bedrag waar Plesner om vroeg.

Slot

De botsende grondrechten en de procesrechtelijke aspecten zetten aan tot nadenken. De kunstenares heeft met haar werk misschien meer teweeg gebracht dan dat zij in eerste instantie voor ogen heeft gehad. Zo weten wij nu dat aan een geslaagd opheffingsverzoek van een onterecht ex parte verbod terugwerkende kracht kan worden toegekend. Daarnaast laat deze zaak zien dat er bijzondere omstandigheden moeten worden gesteld waarom de proceskosten meer dan vijfmaal (!) hoger zouden moeten uitvallen dan de IE Indicatieven voorschrijven en dat kosten voor een wrakingsprocedure niet in deze begroting worden opgenomen.

Al met al verschaft deze zaak interessante inzichten in de financiële aspecten van procesvoering. De kunst van Plesner heeft mensen tot nadenken gezet, waaronder in ieder geval ondergetekende!

  • De ex parte beschikking d.d. 27 januari 2011 (IEF 9452);
  • De uitspraak van de voorzieningenrechter Den Haag d.d. 4 mei 2011 (IEF 9614);
  • De IE Indicatietarieven, versie 11 oktober 2010 (PDF);
  • De Kruidvat tegen Adventure Bags-zaak, d.d. 14 december 2009 (IEF 8453);
  • D. Visser & J. van den Berg, ‘Ex parte, ex nunc of ex tunc?’, 18 maart 2011 (IEF 9479).